Autist

Zijn plezier is vrij van ongemakken,
elk stukje van de puzzel een victorie
die gekraaid wordt zonder schroom.
De rand is klaar, nu nog de binnenkant.

Zal ik ook een stukje? Papa dan?
Nee en nog eens nee, helpen mag,
maar niet op jouw manier,
want dan gaat alles mis wat moest.

Het vliegveld vormt zich stap voor stap,
de bruine rechthoek in het midden
steeds meer gevangen in omsingeling.
De chaos wéér bedwongen, godzijdank.

2016

 

Bloei

Ik had je in de knop gezien,
Een knop gevuld met ongedroomde dromen,
Waarvan de pracht nog niet was uitgekomen,
Niemand wist wat zich ontspon sindsdien.

Ik liet jou gaan, mij liet je lopen,
We gingen elk ons eigen pad.
Hoewel ik jou nooit echt vergat,
Leek toen het feest al afgelopen.

Nooit had ik tijd dit te berouwen,
Tot ik je bloeiend wederzag
En je bereid was mij te trouwen.

Het werd een onvergetelijke dag
Waarna al het moois zich zou ontvouwen
Dat ik destijds al in je zag.

2019

 

Bos

We lopen samen door een bos.
Bij alle stappen die we zetten
druk ik mijn laarsjes in het mos:
we hoeven nérgens op te letten.

Als ik omhoog kijk, naar de mezen,
zie ik ineens op haar gezicht
groeven die ik niet kan lezen
in dit fletse winterlicht.

Wanneer ik naar haar ogen kijk,
dan zie ik dat ze iets bedoelen.
Ik druk mijn laarsjes in het slijk
zodat ik goed de grond kan voelen.

De grond vertelt me een verhaal
waarin ik niet hoef op te passen,
waarin ik zelf alléén bepaal:
ik kies mijn eigen modderplassen.

Als we verder lopen, nu apart,
voel ik ineens een soort van lijden.
Er is iets gaande in ons hart,
iets dat zich wil bevrijden.

We lopen verder door dat bos,
de zon gaat zachtjes schijnen.
Ik maak me verder van haar los
en voel mijn pijn verdwijnen.

2015

 

Brandoffer

Ik zag je voor het altaar,
Maar er was niets meer te offeren,
Omdat alles al geofferd was,
Hart, ziel, zaligheid.

Je hart was leeggelopen,
Je ziel vermoeid, je zaligheid gekrompen,
Zo zag ik je daar staan,
Ik mocht van jou niet baten.

Ik had je in mijn armen willen sluiten,
Jou, mijn lief, dat wilde ik,
Ik had je zoute tranen willen drinken,
Maar wist niet van jouw dorst.

De vlammen vraten je verdriet aan stukken,
Intussen liep ik, beroofd van al mijn kracht,
Het grindpad af, weg van de brand,
Met hulpeloze handen, ontmand gemoed.

2015

 

Droogboeket

Ik kreeg je van mijn lief,
monter en blijmoedig,
net als zij zoals ze was,
blank als room en rozerood,
met blauwe knopen, vilten kraag
op porseleinen ronding.

Als je dan je glans verliest en
je fluweel wordt perkament,
zacht aanraakbaar in jouw
knisperende broosheid,
dan wil ik dat je blijft,
bij mij, als zij, bij mij.

2015

 

Eclipskleed

Weer was zij er, maar anders nu, ik zag haar
in haar volle voluptueuze zelf.
Brutaal en onaantastbaar
liet zij haar rondheid
vrij van schulp of schaamte
zacht beschijnen door Hem
die alles kan verzengen.

Dan, plots, houdt zij zich schuil,
speelt een spel met licht en donker,
onttrekt haar nachtelijke dans
aan ieders blik, ook aan de Zijne.
Ze draagt haar mooiste rode kleed,
waarin ze nagloeit van Zijn vuur,
het vuur dat nooit zal doven.

Ik laat haar met haar dans,
met ongekende vrede in mijn hart.
Geef me over aan mijn eigen dromen.
Dan is Hij ’t zelf die met Zijn eerste licht
me wakker maakt en zegt:
‘Sta op en kijk, daar staat ze,
mooier wordt ze niet’.

2015

Gedicht zonder woorden

Ik las je ogen, je mond
In één adem uit, zonder woorden,
Het waren maar seconden,
Openingszin en happy end
In minder dan een ademtocht.

Ik sprak, jij sprak,
Maar alles was toen al gezegd.
Ik schreef, jij schreef,
Maar alles wat telde
Stond al tussen de regels.

Een ochtend zonder woorden,
Nooit spraken we elkaar zo mooi,
De zon, het zand, jouw blote voeten,
Een klein gebaar, een glimlach,
Zoete hand in zoete hand.

Zonder woorden was ik welkom,
Zonder woorden nam ik je,
Voetstappen in het grind,
Ze stoorden ons niet,
We kwamen in en met elkaar.

In den beginne waren er geen woorden,
Dus ook geen misverstaan;
Het licht schiep God dat op jouw
Lippen scheen en uit jouw ogen kwam,
Het licht dat glans gaf aan jouw huid.

Verzegel nu mijn lippen,
Voor woorden niet geschapen,
Maar voor een onbeschreven zoen
Die nooit meer stoppen mag.
Nooit meer.

2015

 

Gelukkige man

Zag een gelukkige man lopen, zomaar op straat.
Schouders breed, rug recht, armen en benen vrij,
in elke pas klaar voor de volgende.
Neus in de wind,
ogen met glanzend perspectief,
een en al oor voor wie maar wil.
Mond klaar voor goed gekozen woorden.

2014

 

Godendroom

Een wilde godenhengst was hij,
nog nooit bedwongen of bereden,
die na een lange, lange reis,
als genageld, oog in oog stond
met een hemelrijkse droom.

Zonder tuig of zadel
had hij haar toegelaten
op zijn brede bruine rug,
bezweet en dampend nog,
galop nog in zijn goddelijke benen.

Kalmerend was haar innige omhelzing.
Woorden in zijn rechteroor
verstond hij niet, maar troostten hem,
alsof ze wist en voelde
van alle sporen in zijn lijf.

Veerkrachtig, zacht en sterker dan het zijne
was het warme dijenvlees
waarmee hij werd omklemd.
Haar woorden werden vlees,
zijn lichaam werd het hare.

Eerst in meedogenloze draf,
en snel al in galop,
stoof het één geworden paar
door leeg en ongenaakbaar land,
maar liet geen sporen na.

Na een bestemmingloze helse tocht
van volle maan naar volle maan,
uitgeput en vrijwel krachteloos,
kon hij zich steigerend, met groot misbaar,
uit haar betovering bevrijden
en vluchtte naar een nooit gevonden oord.

Ook van zijn amazone werd nooit meer iets vernomen.

2019

 

Hoe te vliegen

De vogel zit daar, op een onbebladerde tak,
dood of winter, weet hij veel.
Ziet het land, de bergen,
ook nog een zee daar achter.

Droomt van vergezichten,
hemelse hoogten,
weet niet waar die zijn,
toen of dan?

Nu, al dromend daarvan,
van het bezit vleugels
niet meer bewust,
is een en al poten en hoofd.

Vertel me vriend,
hoe hij moet vliegen.
Vertel me.

2015

 

In bad

Eerst nog te heet zo lijkt het wel,
voeten, kuiten, dan de billen,
au, kan er wat koud bij, nee,
dat is niet nodig schat,
ik zit er ook al in, kijk,
schuimend heuvelland,
Twin Peaks in rozerood.

Ik zijg, mijn voeten glijden,
snerpend schrap,
en duiken op nabij je oren.
Eenmaal alles in positie
vinden we samen uit
welk slipplezier het geilste is
voor samen in een bad.

2015

 

In dat braambos

Nachtegaal bezingt
Zijn onbedaarlijke liefde
In dat brandend braambos,
waar hij haar weet.

Al zingend ziet hij haar,
doende en dadig,
dapper en droef
alles met liefde.

Hij zingt en zingt,
zindert van zuiver,
zo echt is zij daar
in dat braambos.

2014

 

 

Kubisme

Ik kan niet kiezen tussen je opzij
en je van voren, dat zit zo:

je ogen, vastgemaakt aan de mijne,
mond kusklaar, blusklaar, susklaar,
twee wangetjes ook om uit te kiezen.
Daar is veel voor te zeggen.
Dat enerzijds.

Maar anderzijds, met tegenzonlicht,
dat aait dwars door vogelkooi,
jouw lieve vogelneus, die niemand zo heeft,
met denk- en lachvoorhoofd erboven,
ook al onweerstaanbaar.

Ik ga – kubistisch – gewoon voor allebei,
want alles lijkt nu te kunnen dat eerst niet kon.
Als dat geen kunst is.

2013

 

Moeder I: verlangen

zoveel is wel zeker
dat je me ziet
bekijkt mijn vlees
jouw bloed
je pijnlijk
verlangt naar passie
achter je oog geronnen
onmachtig te vloeien
geen andere uitweg kent
dan de afgesneden streng
die ons ooit verbond

(ga maar liggen,
doe je ogen dicht
doe je handen op je borst
voel je nu je hart?
dat pompt je warmte rond
tot in je neus, oog, teen
enzovoort
zie je wel?
Ik doe mijn handen er nu bij
dan gaat de rest vanzelf
heel eenvoudig eigenlijk) 

het licht van een gesloten venster
met kleine ruitjes
streelt je rechterwang
die zacht moet zijn
gemaakt voor uitsluitend lieve kussen
(alleen direct na het scheren
of van een heel jonge man)
doe maar weer open
lach
kijk uit dat raam
geef me je linkerwang

2010

 

Moeder II: vergeving

Vraag me nu waarom, waarom.
Om dan te begrijpen
alles, met inbegrip
van mijn furieuze
nooit verstommende echo.
Nooit verstommend.
Nooit.

Neem dan je hart in beide handen
en vertel me hoe het klopt,
als je me voedt met witte room,
je lavend aan mijn gulzigheid,
die nooit stremmende stroom
die leven is.
Leven.

Als je daarna je schrale,
rond gezogen borsten streelt,
je beide tepels troost
en je lippen doet huiveren,
vraag me dan wat liefde is.
Wat liefde is.
Liefde.

Sluit dan schaamteloos
je wit bevlekte kind,
zijn naakte dronken vlees,
in allebei je armen
en leer het zachtjes koesterend
wat vergeven is.
Vergeven.

2011

 

Moeder III: verlossing

Onophoudelijk nu,
In mijn middenrif, pijnlijk afwezig,
dag na dag, jaar na jaar,
schreeuw jij de brand
die alleen mijn tranen kunnen doven.

Waar vindt jouw as
zijn laatste rustplaats,
als er nooit een eerste was?
Waar pijn en liefde
voluit mochten leven?

Wat moet ik doen met
bloed dat niet wil stollen,
omdat het kruipen kon noch gaan?
Met vlees dat niet wil branden,
omdat het nooit tot zwelgen werd gebracht?

Als ik je nu beloof,
dat ik je woede koester,
je droeve hart omhels,
dat ik je bange buik en borsten
liefdevol zal strelen?

En dat ik altijd bij je blijf,
Zo dichtbij, dat jij mij voelt
en altijd kussen kan?
Zou jij dan vredig voor me
willen sterven?

2012

 

Nabij

Soms ben je zo nabij
dat ik de binnenkant kan zien
van je huid van roze marmer,
dunner nog dan perkament.
Dan kan ik zwemmen in het oog
dat zicht heeft op mijn ziel.
Zonder zeggen kun je dan vertellen
over dingen die te wachten staan.
Zonder weten, zonder willen,
over wat we zullen vinden.
Kijkend waar nog niemand keek.

2014

 

Nu ik de liefde ken

Nu ik de liefde ken
Zie ik mijn ziel,
Met al wat ooit werd toegedekt
Gebalsemd in vergetelheid.

Verbannen daar,
In onmetelijke gaten
Van ingedroogde tranen
En zwarte toermalijn.

In gedicteerde tempi
Bespeelt mijn pijn de pauken
En tovert marsen uit een gat
Van al wat nooit mocht zijn.

Ik moet nu, één voor één,
De windsels opensnijden,
Ontdek dan wat bedekt was
En streel alles wat ik vind.

Nu ik de liefde ken,
Zie ik mijn ziel.

2015

Schikgodin

Daar komt ze aan mijn schikgodin,
haar zwarte hengst,
zijn ziel, haar ziel,
samen speer.

Na lang en met geduld,
vol aanwezig in elkaar,
zonder woorden,
raast nu het tweetal
naar het doelwit.
Daar.

Soms rechtuit,
dan weer als een hinde.
Zij kent de voetangels,
de spleten, de rotsen,
elk adderengebroed.

Alles glanst en fonkelt nu:
het tomeloze dier
omklemd door haar gespierde dijen.
Haar rode lokken, lippen,
het zwaard dat macht heeft zonder ooit
haar schede te verlaten.

De wolken vluchten heen,
de beuken buigen diep,
suikerriet breekt af
en loost zijn zoete stroop.
Omdat de tijd gekomen is.

En dan de siddering,
De levensdraad,
waarover zij beschikt en zij alleen,
Zacht als zijde, sterk als staal.
Zij trilt een trage melodie
onhoorbaar,
maar door merg en been.

2014

 

Strandlopers

Links duinen,
rechts branding.
Achter mij, voor mij
mul zand of nat en vers gestort.
Ik kies: voor en nat.
Nieuwe stappen, zachte specie,
glanzend, blinkend, schitterend,
zuigt aan mijn voetzolen,
links, rechts,
links, rechts.

Dan schrik ik op van
bont en oogverblindend veel,
oranjesnavelig misbaar.
Waar kwamen zij opeens vandaan?
Hun duizend natte stapjes,
lichtvoetig, richtingloos,
zijn – eenmaal dichterbij –
vergeten door het zand.
Ik ga verder.

2003

 

Verborgen schat

Nimmer zou een mens ontdekken
waar ik het kostelijke goed verborgen had.
Zwarte krochten, stille stekken,
menigeen zocht er mijn schat;
achter hermetisch dichte hekken,
tussen tierend zevenblad,
waar geen tijd zich ooit liet rekken,
omdat diens geest zichzélf vergat.

Totdat een nymf met argusogen
me trof in mijn achilleshiel.
Nooit eerder had men overwogen,
te zoeken waar ik hecht ben, maar fragiel,
waar moed is maar ook onvermogen:
zij vond mijn schat toen in mijn ziel.

2019

Volle maan

Zij kondigt zich aan,
met onmetelijke, maar zachte,
allesverbindende kracht,
als die van een mij bekende
schikgodin.

Zo goed als rond en vol is ze,
verstrooid door zacht wolkenspinsel,
maar aanwezig in alle vezels
van mijn lijf.

Nu, na vier maal vier weken,
Een behoedzame begroeting,
alsof ze loopt op rijstpapier,
een vertrouwd gebaar.

Ze wekt me
als de nacht al rijp is,
nodigt me uit in vrede,
sta op, ga zitten.

Ik heet haar welkom,
in wel bevinden,
wel
zijn.

2015

 

Voorbijgaan

Steeds opnieuw dat beeld:
je gaat voorbij,
kijkt niet, maar ziet me,
gewimperde blik op dingen
die er nog niet zijn:
rijpe vruchten in je schoot,
geheelde scheuren in je hart,
zoute tranen van van alles wat,
zoete smaken op je lippen.

Elke keer dat zachtjes weten,
dat je ooit zou doen wat moest:
het voorbijgaan stopt,
je kijkt, je lacht,
weet dat ik er nu ben,
voor jou, met ongeveer zo’n hart.
Dan proeven onze rijpe lippen
alle smaken van een liefde
die niet voorbijgaat.

2016

Weduwnaar

Daar staat de man.
Hij heeft zichzelf eruit gezet,
ontmoeten is nu meer dan ooit alléén.

Daar, binnen, stemmenbrij,
eerbiedig glasgerinkel en een ingehouden lach.

Wie jong is treurt maar even,
wie oud is krast een streepje
in de muren van dit houten huis
waar gaan hetzelfde is als komen.

Maar hij, hij staat in zachte wind
die wispelt over missen,
en hoort het goed, dat is haar stem,
ziet in een wolk haar lokken,
en denkt ik blijf nog wat.

2019